Gevraagd: voorzitter voor de Adviescommissie voor het ouderenbeleid Stad Utrecht

Voorzitter voor de Adviescommissie voor het Ouderenbeleid Stad Utrecht

De nieuwe voorzitter heeft bestuurlijke ervaring en wil zich actief inzetten voor de positie van ouderen in Utrecht.

De commissie heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de beleidsontwikkeling voor ouderen en organiseert 10 maal per jaar openbare themabijeenkomsten over actuele onderwerpen op het gebied van het ouderenbeleid.

De commissie fungeert als netwerk voor ouderen en biedt de gelegenheid voor het uitwisselen van informatie over onderwerpen die het beleid voor ouderen raken en werkt nauw samen met vele partijen binnen het Maatschappelijk Netwerk Utrecht.

Meer informatie is te vinden op de websites van de Adviescommissie voor het Ouderenbeleid Stad Utrecht www.aco-utrecht.nl en van het Maatschappelijk Netwerk Utrecht www.maatschappelijknetwerkutrecht.nl

Reacties graag sturen naar ACO, t.a.v. de sollicitatiecommissie, p/a Pieterskerkhof 17, 3512 JR Utrecht of info@aco-utrecht.nl Reageren kan tot 28 juni.

Nadere inlichtingen bij Christa Tydeman, voorzitter sollicitatiecommissie , 030-2541123 of tydemanc@xs4all.nl

 

 

 

 

 

Themabijeenkomst ACO “Toegankelijke zorg voor iedereen!?” 24 mei 2017

Aanleiding
Het is belangrijk om te kunnen lezen en schrijven; met name als je wordt geacht langer zelfstandig thuis te blijven wonen. Ouderen word dan steeds meer afhankelijk van schriftelijke informatie. Het is bovendien niet alleen belangrijk om te kunnen lezen, maar ook om de tekst te begrijpen. Dit geldt zeker bij medische informatie.
In Utrecht wordt ongeveer 8% van de bevolking als ‘laaggeletterd’ aangemerkt, maar volgens deskundigen is deze groep laaggeletterden veel groter.

Gasten:
mevrouw Harma Plaggemars (UMC)
mevrouw Marjolijn van Leeuwen (Pharos)
de heer Peter Budel (gemeente Utrecht, MO) en mevrouw Annet Hofmeier (gemeenten Utrecht, Volksgezondheid)

Universitair Medisch Centrum
Harma Plaggemars meldt dat het UMC een van de grootste werkgevers is in Midden-Nederland; het omvat het Academisch Medisch Centrum (UMC) en het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ). De organisatie heeft dagelijks te maken met patiënten en personeel.

Begrijpen van de tekst
Harma Plaggemars stelt de vraag: Hoeveel procent van de woorden moet je kunnen lezen om een tekst te kunnen begrijpen? Dit blijkt ca. 90%te zijn. De ongeveer 2,5 miljoen laaggeletterden onder de Nederlandse bevolking halen dat percentage niet. Van deze groep is ongeveer 2/3 deel van Nederlandse, en 1/3 deel van buitenlandse afkomst.

Gezondheidsvaardigheid
Laaggeletterdheid en beperkte gezondheidsvaardigheid houden verband, stelt mevrouw Plaggemars. Dit is zorgelijk, want mensen die beperkt gezondheidsvaardig zijn, lopen een twee maal zo groot risico op voortijdige sterfte.

In het UMC richt men zich niet alleen op de beperkte gezondheidsvaardigheid van patiënten, maar ook van medewerkers. Ca. 25% van de werkenden in de sector van zorg en/of welzijn is laaggeletterd. Te denken valt bijvoorbeeld aan de schoonmakers. In ziekenhuizen hebben zij gespecialiseerd en verantwoordelijk werk; zij moeten bijvoorbeeld gebruiksaanwijzingen kunnen lezen, begrijpen en toepassen.

Zelfredzaamheid
De overheid verwacht dat mensen, ook ouderen,  zelfredzaam zijn. Het is dus belangrijk dat iemand bijvoorbeeld de bijsluiter van een geneesmiddel kunt lezen én begrijpen, maar er zijn veel meer ontwikkelingen in de zorg die om goede leesvaardigheid vragen, bijvoorbeeld als je gebruik maakt van zorg op afstand of e-consult, of als je je medisch dossier wilt inzien via internet.

Het UMC heeft daarom het project ‘Omgaan met laaggeletterdheid’ ontwikkeld. Het deelproject ‘Taal op de werkvloer’ is op personeelsleden gericht; voor patiënten is er ‘Vertel het ons,’ met als doel laaggeletterde patiënten meer grip te geven op hun klachten of ziekte, en zodoende hun kansen op verbetering van hun gezondheid te vergroten. Onderdeel van het project is ook het vergroten van bewustwording bij artsen; zij leren bijvoorbeeld heel simpel om aan het eind van een gesprek met een patiënt niet te zeggen: ‘Heeft u hier nog vragen over?’ maar om de patiënt uit te nodigen om zijn of haar vragen te stellen: ‘Welke vraag hebt u hierover aan mij?’

Informatie over ‘Omgaan met laaggeletterdheid’ is op de website van het UMC te vinden.

Inleiding van Pharos – Expertisecentrum Gezondheidsverschillen
Taal- en digitaalvaardig
Iemand die gezondheidsvaardig is, weet wel waar hij of zij de juiste informatie kan vinden, vertelt mevrouw Van Leeuwen. De gevonden informatie wordt vervolgens begrepen en toegepast. Hierbij is niet alleen taalvaardigheid nodig, maar ook digitale vaardigheden. Ook is het kunnen onderscheiden van hoofd- en bijzaken van belang. Hoogopgeleiden zijn hierop getraind door hun opleidingsachtergrond, en realiseren zich vaak niet hoe abstract zij hebben geleerd te denken.

Ouderen vaker chronisch ziek
Ouderen krijgen vaker te maken met chronische ziekten; dit geldt in het bijzonder voor laagopgeleiden. Zij worden bovendien vaker getroffen door meerdere chronische ziekten tegelijk, en zijn vaak minder gezondheidsvaardig. Velen struikelen al bij de eerste stap: het vinden van de juiste informatie. Zij kunnen de krant bijvoorbeeld niet lezen of voorlichtende programma’s op televisie niet begrijpen. Websites kunnen zij niet opzoeken. Pharos besteedt veel aandacht aan het overbrengen van dergelijke belangrijke informatie, en werkt daarvoor samen met sleutelfiguren in wijken en met zelforganisaties, kerken, moskeeën en buurthuizen.

‘Begrijp je lichaam’
Zorgverleners gaan er meestal voetstoots van uit dat patiënten kennis hebben over het lichaam, terwijl mensen met minder opleiding dat vaak juist niet hebben. Pharos heeft daar een methode voor ontwikkeld, ‘Begrijp je lichaam.’ Met behulp daarvan kunnen zorgverleners bijvoorbeeld uitleggen waar het hart zit, en wat het doet. Een groot probleem is dat medicijnen niet goed worden ingenomen. In samenwerking met de apothekersorganisatie KNMP loopt er een project over bevordering van veilig en verantwoord medicijngebruik. Het materiaal dat Pharos maakt, wordt getest met behulp van laaggeletterde patiënten. Met hulp van Stichting ABC worden ook websites getest.

‘Handleiding voor diabetes’
Onlangs heeft Pharos een handleiding over diabetes uitgebracht, een complexe aandoening die veel bij ouderen voorkomt. De handleiding beschrijft op toegankelijke en begrijpelijke wijze waar patiënten aan moeten denken en waar zorgprofessionals rekening mee moeten houden bij de behandeling.

Op de website van Pharos is meer informatie te vinden over laaggeletterdheid en gezondheid.

Reacties en discussie

Foldermateriaal in andere talen nuttig?
Marjolijn van Leeuwen meldt desgevraagd dat zij het zinvol vindt om foldermateriaal in meerdere talen te schrijven, bijvoorbeeld voor mensen die net in Nederland zijn aangekomen en nog geen Nederlands spreken. Pharos bedient echter ook een aanzienlijke groep geboren en getogen Nederlanders die onvoldoende leesvaardig zijn. Voor hen worden er bijvoorbeeld filmpjes met eenvoudig beeldmateriaal gemaakt, te bekijken via YouTube. Deze worden wel voorzien van commentaar in andere talen. Bij het UMC maakt men ook gebruik van tolken, vult Magda Plaggemars
aan.

Zes taalniveaus
Er worden zes taalniveaus onderscheiden, namelijk (oplopend) A1, A2, B1, B2, C1 en C2. Op een niveau onder A2 zijn niet-Nederlandstaligen afhankelijk van tolken of van schriftelijke informatie in de eigen taal. Nederlandse les levert niet altijd het gewenste resultaat op; voor mensen die in hun eigen land maar een paar jaar onderwijs kregen, blijft het moeilijk om de juiste informatie in het Nederlands op te pikken.

Uitstroomniveau basisschool voldoende?
Een van de aanwezigen vraagt naar het uitstroomniveau van de basisschool. Is dat niet voldoende om goed te kunnen doorstromen? Marjolijn van Leeuwen denkt dat kinderen uit migrantengezinnen gebaat zijn bij extra taalles, maar dat gebeurt ook al, bijvoorbeeld in de voor- en vroegschoolse opvang. Na groep 8 hebben kinderen over het algemeen taalniveau A2. Dit geldt ook voor de basis- en kaderklassen in het vmbo. Zowel voor volwassenen als kinderen is het belangrijk om te streven naar een zo hoog mogelijk niveau, maar dan nog is niet gegarandeerd dat zij alles kunnen begrijpen. Zelfs voor mensen die het hoogste taalniveau beheersen, kan de uitleg van een medisch specialist nog wel eens lastig te begrijpen zijn. Zij weten de juiste informatie dan later wel te vinden, bijvoorbeeld via internet. Dat kanaal is voor minder taalvaardigen echter niet zo toegankelijk. Heldere en toegankelijke communicatie in de zorg is voor iedereen belangrijk.

Tolken
De heer Scholten merkt op dat dienstverlening van tolken in veel sectoren is wegbezuinigd. Zou de ACO de terugkeer kunnen ondersteunen met een advies?
In dit verband wijst Marjolijn Van Leeuwen op de toestroom van vluchtelingen. Zij stromen veel sneller door dan voorheen, waardoor ze vrijwel geen Nederlands spreken als zij in hun nieuwe woonplaats komen. Voor huisartsen is dat een groot knelpunt, want de hulp van een tolk wordt niet meer vergoed, terwijl dat voor doelgroepen met een taalniveau onder A2 eigenlijk wel noodzakelijk zou zijn. Een behulpzaam familielid volstaat meestal niet. Een pleidooi voor tolkenhulp voor mensen met een taalniveau onder A2 zou welkom zijn, wat Pharos betreft.

Patiëntencoaches
Harma Plaggemars vertelt dat er in het UMC gekeken wordt naar wat een patiënt nodig heeft om een zorgtraject goed te kunnen doorlopen – ongeacht of hij of zij allochtoon of autochtoon is. Het UMC heeft sinds kort patiëntencoaches; daar zijn tolken bij, maar 2/3 van de laaggeletterden is geboren en getogen Nederlands. Zij zijn met een tolk niet geholpen. Daar komt bij dat beperkte gezondheidsvaardigheid ook onder hoogopgeleiden voorkomt, denk aan mensen met een technische opleiding.

Hoe gaan de Buurtteams om met laaggeletterde cliënten?
Volgens een medewerkster van Buurtteam Oost komt beperkte digivaardigheid veel voor, naast beperkte taalvaardigheid. Mensen komen bijvoorbeeld bij het Buurtteam omdat zij niet weten hoe zij een DigiD moeten aanvragen. Een deze cliënt dit hiermee helpen via de website. De vraag is of die persoon de verkregen informatie dan begrijpt. Daarvoor moet iemand op zijn minst kunnen lezen.

Gemeentelijke informatie?
Peter Budel meldt dat de gemeente Utrecht over het algemeen communiceert op taalniveau B1. Voor velen is dat te moeilijk, maar als het niveau verder wordt verlaagd, kan de gemeente veel informatie niet meer kwijt. Informatie moet eenvoudig, begrijpelijk en toegankelijk zijn, maar ook zinvol. Hiervoor werkt de gemeente samen met organisaties zoals de Buurtteams, de sociaal makelaars, consultatiebureaus, Woningnet en zo meer. De gemeente wil de informatie zo goed mogelijk op elkaar afstemmen en de dienstverlening aan kwetsbare burgers zo overzichtelijk mogelijk presenteren. Zie bijvoorbeeld de website www.uabc.nl; daar is informatie over ingewikkelde zaken te vinden, zoals bijvoorbeeld de aanvraag van een DigiD of een paspoort. Mensen die niet over een computer beschikken, kunnen bij de balie terecht.

Eén wijkinformatiepunt
Eerder kwam binnen de ACO het oprichten van één wijkinformatiepunt ter sprake, waar face to face en telefonisch informatie te krijgen is. Een soort VVV. In Oost is hieraan behoefte en de Wijkraad Oost heeft het college geadviseerd de mogelijkheden te onderzoeken.
Hierop merkt Harma Plaggemars op dat het geven van mondelinge informatie niet altijd dé oplossing is; sommige mensen vinden het moeilijk om uitleg te vragen, of schamen zich voor hun taalprobleem. Deze werkwijze vraagt ook iets van hulpverleners en, in het geval van de gemeente, van ambtenaren. Zij moeten achterhalen waar de vraagsteller precies mee zit, en weten hoe je dat bespreekbaar maakt. In het UMC worden zorg- en hulpverleners daarin getraind.
Een goede manier is bijvoorbeeld ook om aan de patiënt te vragen of hij of zij wil vertellen wat er besproken is, om te horen of de boodschap goed is overgekomen.

Spreekuur in buurt-/huiskamers
In Overvecht, maar ook in andere wijken, zie je steeds meer Buurtkamers komen, wordt gezegd. In sommige Buurtkamers worden laagdrempelige spreekuren gehouden.

Conclusies

• Duidelijk is geworden wat laaggeletterdheid is, en met name wat er de gevolgen van zijn op het gebied van gezondheid, maar ook bijvoorbeeld op het gebied van inkomen en armoede.
• Eenvoudige oplossingen voor dit communicatieprobleem zijn er niet; er is een brede aanpak nodig.
• De ACO zal de gemeente en ander instellingen een bredere aanpak adviseren en daarbij benadrukken:
– het belang van de inzet van tolken in bepaalde situaties, huisartsen, Buurteams
– het belang van trainen van medewerkers in dienstverlenend functies om laaggeletterdheid te herkennen en hoe hiermee om te gaan zodat de informatie ook werkelijk overkomt
– het creëren van een informatiepunt per wijk waar mondeling en telefonisch begrijpelijke informatie te verkrijgen is en het trainen van de informatieverleners.

 

 

Onderzoeksplan ‘langer thuis wonen’ rekenkamer Utrecht

De rekenkamer Utrecht heeft een onderzoek gestart met betrekking tot het onderwerp ‘langer thuis wonen’. Ter voorbereiding zijn er gesprekken gevoerd met ACO, Cosbo, Solgu en Saluti. Het onderzoeksplan is vastgesteld en kunt u hieronder inzien.

Onderzoeksplan langer thuis wonen

——————————————————————————————————————–

Respijtwijzer 2016

Aan mantelzorg en vooral aan ondersteuning van mantelzorgers (respijtzorg), heeft de ACO diverse malen aandacht besteed. Recent heeft het Steunpunt Mantelzorg alle respijtmogelijkheden op een rij gezet. Om het respijtaanbod actueel te houden is er binnenkort ook een digitale versie beschikbaar op www.ugids.nl/respijt 

Voor aanvullingen en correcties kunt u contact opnemen met ugids@u-centraal.nl of bellen met 030-23 61 770.

Respijtwijzer 2016 kunt u hier inzien.

——————————————————————————————————————–

Factsheet RIVM ‘Vroegopsporing bij (kwetsbare) ouderen’

Hieronder treft u de factsheet van het RIVM over ‘Vroegopsporing bij (kwetsbare) Ouderen’ aan. Vroegopsporing is een beetje een vakterm; het gaat over de wensen en behoefte van ouderen bij langer thuis wonen en mee blijven doen. Wat zijn die wensen en behoeften en hoe kan daar beter bij aangesloten worden. Het RIVM heeft ouderen hierop bevraagd en aanvullend ook professionals geïnterviewd.

Factsheet RIVM Vroegopsporing bij (kwetsbare) ouderen

 

——————————————————————————————————————–

Inbreng ACO bij RIA over uitvoeringsplan Stedelijke Agenda Ouderen (2 juni 2016)

Logo ACO 211 x 110

Inbreng Adviescommissie Ouderenbeleid (ACO) bij RIA over Uitvoeringsplan Stedelijke Agenda Ouderen d.d. 2 juni 2016.

Bijna een jaar geleden hebben de gemeente en Zilveren Kruis de Stedelijke Agenda Ouderen 2016-2018 vastgesteld.
Daarmee beoogden zij een aanzet te geven voor vernieuwing van de ondersteuning en zorg voor ouderen, voor welke opgave beide (en het zorgkantoor) staan. Het doel was is dat iedereen in Utrecht vitaal ouder kan worden, maar ook goed kan blijven wonen als je kwetsbaarder wordt.
vitaal. Voor 2018 is en zestal beoogde resultaten benoemd.

In de loop van het jaar zijn thema’s/projecten ‘naar voren gekomen’ om deze doelstelling te realiseren in 2018. Nu moet worden bepaald met welke thema’s de zestal beoogde resultaten moeten worden bereikt.

De Adviescommissie Ouderenbeleid heeft het proces meegemaakt en gevolgd en heeft hierbij de volgende opmerkingen en adviezen.

1. De genoemde thema’s zijn divers. Sommige zijn zeer urgent en zouden hoge prioriteit moeten krijgen. Andere zijn op zich positief maar zijn vaak meer voor ouderen bedacht en niet met ouderen. Dat laatste zou meer accent moet krijgen.

2. De thema’s genoemd onder 2.1 waarvoor de gemeente en Zilveren Kruis de regie hebben, zijn belangrijk. Het is de ACO niet duidelijk welke rol Zilveren Kruis bij (de uitvoering van) al deze projecten heeft. Wie is nu waarvoor verantwoordelijk? Hierbij wil de ACO nog opmerken dat de specifieke aandacht bij de thema’s voor dementie belangrijk te vinden. Sterker nog, de ACO onderstreept het standpunt van HUS om specialistische zorg, waaronder dementiezorg, uit de pilot te halen

3. Geconstateerd wordt in het Uitvoeringsplan dat de genoemde zestal beoogde resultaten eigenlijk niet ‘smart’ zijn.  De relatie tussen inzet en resultaten is immers moeilijk vast te stellen. Daarom wordt nu ingezet op monitoring. Heel pragmatisch, gebaseerd beschikbare informatie en gesprekken met partners in de stad, zo wordt gemeld.
Maar het blijft vaag. Met name wordt niet duidelijk welke indicatoren worden gehanteerd.
Daarom dringt de ACO aan op duidelijkheid over de indicatoren (kwalitatief en kwantitatief) van de monitoring.

4. Verder pleit de ACO er voor om bij de monitoring naast de zorgvraag, de woonvraag mee te nemen. Heel concreet zal geïnventariseerd moeten worden tegen welke woonproblemen men (zorgverleners) aanloopt in bestaande woningen. Op welk punten schieten bestaande woningen te kort? (bijv. Kan goede zorg wel worden verleend gelet op omvang van de douche, breedte van de deuren, drempels etc.). De relatie tussen het leveren van goede zorg en woningen wordt gemist. Vanuit de (zorg)praktijk moet hierop meer concreet zicht worden verkregen.

31 mei 2016

——————————————————————————————————————–

Zienswijze MNU Stedenbouwkundig Programma van Eisen NPD Strook Overvecht (mei 2016)

Sinds 1 januari 2016 werken negen zelfstandige organisaties samen in het Maatschappelijk Netwerk Utrecht (MNU).

Deze organisaties zijn (in alphabetische volgorde):
– Adviescommissie voor het Ouderenbeleid (ACO);
– Adviescommissie voor het lesbisch/homo/biseksueel en transgenderbeleid (LHBT);
– Cliëntenraad-Wmo;
– COSBO-stad-Utrecht (Belangenorganisatie voor ouderen);
– Jij Utrecht (belangenorganisatie jongeren);
– LFB Utrecht (Belangenvereniging voor en door mensen met een verstandelijke beperking);
– Saluti (advies orgaan interculturalisatie);
– SOLGU (Stedelijk Overleg Lichamelijk Gehandicapten Utrecht);
– Vrijwilligers Adviesraad (VAR).

Het doel van dit samenwerkingsverband is om (groepen) bewoners die niet vanuit zichzelf hun stem voldoende kunnen laten horen, via integrale adviezen, activiteiten, wijkdialogen etc. een stem te geven. De focus van deze samenwerking ligt op gezamenlijke projecten waarin de organisaties (met behoud van hun eigen identiteit) samenwerken aan actuele thema’s en vraagstukken. Hierbij kunnen ook andere relevante partners uit de stad worden betrokken.

Het Kernteam van het MNU heeft in april 2016 besloten de reeds bestaande samenwerkingsgroep ‘Hart van Overvecht’ als MNU-projectgroep ‘om te dopen’ om de zienswijze op te stellen voor de NPD-strook Overvecht. De leden van de projectgroep vertegenwoordigen de ACO, COSBO-stad, Saluti en SOLGU. Zorginstelling Careyn heeft specifiek input geleverd op het onderwerp ‘wonen met zorg’.

Het MNU heeft in vroegtijdig stadium de gemeente geïnformeerd over de kansen die de NPD-strook Overvecht biedt om motie 39 tot uitvoering te brengen. Het MNU denkt graag in een vroegtijdig stadium met de gemeente mee over de inrichting en eisen gesteld aan een locatie en gebouw om motie 39 optimaal tot uitvoering te laten komen. Het MNU ziet de NPD-strook als een ideaal pilot project om toegankelijke woningen en woon(zorg)- initiatieven in Utrecht te stimuleren en realiseren. Het traject heeft de potentie om de basis te leggen om motie 39 standaard tot uitvoering te brengen.

Doel van de zienswijze is om samen met de gemeente de handvatten en kaders te ontwikkelen om motie 39 tot uitvoering te brengen op de NPD-strook. De zienswijze bevat de visie van het MNU op toegankelijkheid en het stimuleren van woon(zorg-) initiatieven alsmede specifieke aanpassingen aan het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) van NPD-strook Overvecht om de plannen geschikt te maken voor de uitvoering van motie 39. Hieronder zijn de belangrijkste beslispunten van motie 39 uiteengezet. De volledige motie is toegevoegd als bijlage.

Lees hier de volledige zienswijze

——————————————————————————————————————-

Bundeling van adviesraden

De toekomst van de ACO
Veranderingen voor de ACO per 1 januari 2016 

De gemeente Utrecht heeft besloten tot verandering van beleid voor 15 advies- en cliëntenraden en  belangenbelangenorganisaties. Het doel is: meer samenwerking tussen en bundeling  van de organisaties.  Tegelijkertijd zijn subsidies en financiële bijdragen aan deze organisaties per 1 januari 2016 beëindigd en wordt gekomen tot een andere verdeling van gelden waarbij een bezuiniging  van 250.000,- euro is opgelegd.
Mede op basis van gesprekken met de betrokken organisaties is een ‘ontwikkelplan’ gepresenteerd (inclusief bezuiniging), waarbij sprake is van drie clusters. Voor de ACO is er een plaats in een ‘cluster’ met 9 andere netwerken/organisaties, waaronder het COSBO en de SOLGU. Ook zijn ideeën geschetst voor de bezuiniging.  Binnenkort behandelt het College dit voorstel.

Voor de ACO – en ook voor andere – is nog veel onduidelijk. In het overleg met wethouder Jongerius op 12 mei hebben wij er voor gepleit om niet langer ‘droog te zwemmen’, maar eerst gezamenlijk thema’s te bepalen – samen met de wethouder/het college – waaraan in 2016 zal worden gewerkt (advisering, signalering, onderzoeken, activiteiten etc.). Op basis daarvan kunnen tussen de organisaties afspraken worden gemaakt over de concrete uitwerking, inclusief de verdeling van gelden. Er is geen beperking tot het veld van maatschappelijke ondersteuning.  Dit spoort met de randvoorwaarden die wij hebben vastgelegd.

Deze gedachte werd gedeeld en op 16 juni as. vindt het eerste ‘thema-overleg’ plaats.
Voor de ACO geldt nog steeds dat de input van – met name kwetsbare – ouderen in (de uitvoering van) het gemeentelijk beleid belangrijk is. Ons netwerk kan daarin een uitstekende en verdiepende rol spelen.

De ACO heeft een advies hierover uitgebracht aan B&W op 9 februari 2015. Lees het gehele advies en klik hier  2015-01 Reactie ACO op besluit beëindiging financiële afspraken per 1-1-2016

We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

——————————————————————————————————————-

De toekomst van de ACO

Veranderingen voor de ACO op 1 januari 2016

 Door een beleidswijziging van de gemeente Utrecht wordt de financiële bijdrage van de gemeente aan de ACO per 1 januari 2016 beëindigd.
In totaal zijn 15 advies- en  cliëntenraden en belangenorganisaties betrokken bij een bezuiniging- en wijzigingsoperatie, gericht op een bundeling. Voor de ACO is er een plaats in een ‘cluster’ met 9 andere netwerken/organisaties, waaronder het Cosbo en de Solgu. De ACO blijft van mening dat het belang van de ouderen in de stad Utrecht van onderen af geborgd dient te worden.

De komende maanden wordt het plan verder uitgewerkt om het cluster handen en voeten te geven. We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

——————————————————————————————————————–

ACO 30 jaar en nog steeds nodig!

De ACO bestaat 30 jaar. Een momentum waarbij natuurlijk is stilgestaan. Op 17 december 2014 verzamelden zich veel leden en oud-leden tijdens deze bijzondere ACO bijeenkomst.en genoten de aanwezigen van de jubileumlunch en de rondleiding door het nieuwe stadkantoor. Twee presentaties werden gegeven: “De positie van de oudere migrant” door mevrouw  G. van der Wekken (projectleider van het project Netwerk Utrecht Zorg Ouderen NUZO/UMC)  en “De gezondheidstoestand van de oudere migrant in Utrecht “. Deze laatste presentatie werd gegeven door mevrouw Marianne van der Horst, (Volksgezondheid gemeente Utrecht).  Binnenkort kunt u d3eze presentaties op deze website vinden onder “Themabijeenkomsten”.

Ook wethouder Jongerius gaf Acte de Préséance. Zij feliciteerde de ACO met dit jubileum en sprak haar waardering uit over de ACO. Verder wees zij erop dat het college onlangs heeft besloten tot een nieuwe advies-/participatiestructuur,  die in de komende maanden invulling moet krijgen in overleg met de adviescommissies, cliëntenraden en  vele gesubsidieerde organisaties. Op 22 maart aanstaande start het eerste overleg!

De voorzitter, Mieke van der Burg blikte terug en vooruit. Zij benadrukte dat het vertolken van de ‘stem van de ouderen’ op dit moment nóg harder nodig is dan 30 jaar geleden.Allereerst omdat, vergeleken met 30 jaar geleden, mensen niet alleen veel later oud worden, maar ook anders oud worden. De levensverwachting is sterk gestegen en stijgt nog steeds. De gezondheid van ouderen is sterk toegenomen en ook het inkomensniveau is een stuk hoger. Ouderen zijn een grotere en krachtiger groep geworden! Zij wijst erop dat dit niet geldt voor iedereen. Per Utrechtse wijk zijn er grote verschillen in levensverwachting, inkomen en gezondheid. Er moet aandacht blijven voor de grote diversiteit onder ouderen, een grotere diversiteit dan 30 jaar geleden. Zo is er ook een grote groep ouderen met een andere culturele achtergrond, met hun eigen wensen en behoeften, waarvan in 1984 nog geen sprake was. Ook digitalisering stond 30 jaar geleden nog in de kinderschoenen. De groei van de digitalisering, de robotisering van de samenleving gaat enorm snel, ook in de zorg. Ouderen hebben of krijgen hiermee te maken, maar velen kunnen dit niet bij houden. Zij benadrukt dat al deze ontwikkelingen in een rap tempo gaan en van grote invloed zijn op alle gemeentelijke beleidsterreinen waar ouderen mee te maken hebben en krijgen: huisvesting, openbare ruimten, alle soorten voorzieningen, welzijn en  met name de zorg, waarvoor de gemeente vanaf 1 januari 2015 verantwoordelijk is. Daarom blijft het nodig om ouderen een stem te geven! Nog meer dan in 1984 bij de start van de ACO. Tóen was de aanleiding om de ACO in het leven te roepen: uitbreiding van de bejaardentehuizen waarvoor de gemeenten verantwoordelijk werd. Nú, omdat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig (moeten) blijven wonen waarop alle genoemde ontwikkelingen van invloed zijn. Het werk van de ACO blijft dan ook in de toekomst absoluut onmisbaar, welke organisatievorm voor advisering en participatie ook wordt gekozen! Tot slot werd aan iedereen een boekenlegger uitgereikt waar informatie over de ACO en de vele thema´s waarover gemiddeld 8 adviezen per jaar zijn uitgebracht.

——————————————————————————————————————–