Themabijeenkomst ACO ‘Gezondheid en Ouderen; cijfers en de wereld erachter’ 25 januari 2017

Aanleiding
Gezondheid is een onderwerp waaraan de ACO veel aandacht heeft besteed. Zowel aan de cijfers uit de Volksgezondheids Monitor Utrecht (VMU), als aan het gemeentelijk beleid dat daarop gebaseerd is.
Nu er meer recente en meer gedifferentieerde cijfers zijn, is een bespreking van belang of deze cijfers herkend worden vanuit de praktijk en vooral ook de betekenis van de cijfers.

Gastsprekers:
mevrouw Maartje Aangeenbrug (epidemioloog, gemeente Utrecht) mevrouw Marjoke Verschelling (senior beleidsadviseur, gemeente Utrecht).

Het onderzoek
Maartje Aangeenbrug meldt allereerst dat gepresenteerde cijfers in 2014 zijn verzameld; de meer recente meting die in 2016 is verricht, wordt op dit moment uitgewerkt.
De respons op het onderzoek bedroeg ongeveer 60%. Er deden 655 ouderen mee, maar onbekend is uit welke wijken zij komen. Evenmin is een uitsplitsing autochtoon / allochtoon gemaakt. Beide worden betreurd. Er is verder gekozen voor een schriftelijk onderzoek. Vragen zijn thuisgestuurd (per post of per e mail); invullen kon desgewenst met hulp.
Zij geeft verder aan dat er enige overlap is tussen de gezondheidscijfers en de cijfers met betrekking tot het sociale domein en de woonomgeving.
De uitkomsten van het onderzoek worden altijd vergeleken met landelijke cijfers, en besproken met professionele partijen in de stad.
De bevindingen zijn op de website te vinden; om de vier jaar maakt de gemeente de balans op.
Bij de metingen wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de gezondheid van ouderen.

Gezondheid van ouderen
Op de vraag van Marjoke Verschelling waar je het eerst aan denkt bij ‘gezondheid van ouderen’, noemen de aanwezigen: gezonde lucht, bewegen, bekendheid met organisaties, voorzieningen in de wijk, veilige mobiliteit, veiligheid op straat (veilige trottoirs, bijvoorbeeld), veiligheid in huis (criminaliteit, babbeltrucs), eenzaamheid en de remedie daartegen, de relatie tussen inkomen en gezondheid.
Wat ‘bewegen’ betreft wordt opgemerkt dat er in de Utrechtse parken vrijwel niets is dat tot andere activiteit dan wandelen aanzet. Veel ouderen hebben best behoefte aan dergelijke voorzieningen, en dan het liefst dichtbij huis.
Gezondheid van ouderen wordt steeds belangrijker nu het beleid gericht is op het langer zelfstandig blijven wonen en leven van ouderen. Mensen met een goede gezondheid lukt dat doorgaans beter.
De cijfers laten zien dat het merendeel van de ouderen zich gezond voelt, maar dat dit gevoel afneemt met het stijgen van de leeftijd. Het gezondheidsgevoel blijkt bovendien omgekeerd evenredig te zijn aan het opleidingsniveau. Hoger opgeleiden ouderen voelen zich gezonder. Er is ook een relatie vastgesteld tussen gezondheid en de hoogte van het inkomen of het hebben van financiële problemen.

Vragenlijst
Uit cijfers blijkt dat 19% (ongeveer één op de vijf) onvoldoende regie op het eigen leven ervaart. Dit gevoel is onder laagopgeleiden het sterkst.
De aanwezigen veronderstellen dat dit te maken kan hebben met overheidscommunicatie. Niet iedereen is immers digivaardig en niet iedereen beheerst het Nederlands voldoende. Zelfs mensen die goed Nederlands spreken, kunnen moeite hebben met het taalgebruik van de overheid. Het percentage van 19 is lager dan verwacht en gevoeld. Misschien hebben respondenten een ‘wenselijk antwoord’ gegeven. Niemand geeft immers graag toe dat hij of zij de vraag niet snapt. Bovendien vinden veel ouderen het over het algemeen lastig om hulp te vragen. Daarnaast mag als bekend worden verondersteld dat de digitale communicatie van de gemeente lang niet alle ouderen bereikt.
Ook de vragenlijst zelf lijkt in zijn taalgebruik gericht te zijn op hoogopgeleiden, vinden de aanwezigen. de vragen zijn moeilijk te begrijpen. Wordt er wel meegelezen door een ‘gebruikersgroep’?
Maartje Aangeenbrug meldt dat dit het  geval is. Zij legt uit dat het hier gaat om gevalideerde vraagstelling die al jaren in het hele land wordt gebruikt. Aanpassing is dus niet gemakkelijk.

Jong en oud
Uit de gedachtewisseling blijkt dat er rond de leeftijd van 70 jaar een soort scheidslijn te lopen. Zeventig-plussers lijken niet erg meer mee te tellen in het maatschappelijk leven.
Een interactie tussen ouderen en jongeren is daarom belangrijk,  maar de continuïteit van dergelijke projecten blijkt vaak een probleem. Incidentele projecten, worden zelden voortgezet.

Aandoeningen en leefstijl
Hart- en vaatziekten – en vooral hoge bloeddruk – komen het vaakst voor bij ouderen,. Onder laagopgeleiden is het aantal gevallen van diabetes opvallend hoog.
Ouderen blijken meer kans te hebben op psychische problemen. Dit geldt in het bijzonder voor vrouwen, 80 plussers en laagopgeleiden. Dementie valt hier overigens niet onder.
Ruim de helft van de ouderen kampt met overgewicht, waarvan een aanzienlijk aantal met obesitas. Dit komt meer voor onder mannen, dan onder vrouwen.
De meeste ouderen ontbijten goed, bewegen volgens de norm (een half uur per dag) en roken niet. Het alcoholgebruik is gering.

Werk
Een hoog percentage ouderen geeft aan, vrijwilligerswerk en/of betaald werk te doen. Daar staat tegenover dat één op de vijf ouderen moeilijk rondkomt, spaargeld moet aanspreken of schulden moet maken om rond te komen.

Leefomgeving
Twee derde van de ouderen is tevreden over de eigen leefomgeving. Het merendeel is ook tevreden met de woning. Aanwezigen vragen zich af hoe tevredenheid over de woning wordt bepaald.
Groen in de buurt wordt belangrijk gevonden, maar groene plekken moeten beslist ook veilig zijn, zo wordt naar voren gebracht.

Sociale contacten en eenzaamheid
Velen onderhouden goed en regelmatig contact met familie, vrienden, kennissen en buren. Toch geeft 50% aan, zich eenzaam te voelen in de stad. 10% daarvan voelt zich ernstig eenzaam.
De aanwezigen zouden het interessant vinden te weten waarom mensen achter hun voordeur blijven en niet om hulp vragen. Als de oorzaak bekend is, kan erop worden ingespeeld met het project Samen in de Stad. Ook zou uitbreiding van ‘Hulp bij het Huishouden’ een goede mogelijkheid zijn om eenzaamheid te doen verminderen wordt voorgesteld.

Uit cijfers blijkt dat niet alle ouderen bij de huisartsen in beeld. Verder is ongeveer 11% van de ouderen niet aanvullend verzekerd; dit geldt in het bijzonder voor 80 plussers. Ook blijkt dat lang niet alle ouderen met een hulpvraag een beroep kunnen doen op mantelzorg. Mensen die zelf mantelzorger zijn, rapporteren overbelasting en oververmoeidheid.
De aanwezigen schrijven deze laatste signalen deels toe aan onbekendheid met voorzieningen zoals ‘respijtzorg’ en het feit dat mantelzorg niet meer wordt vergoed. Belangrijk is het verdwijnen van verzorgingshuizen, waardoor zelfstandig wonende ouderen vaker een beroep (moeten) doen op mantelzorg.

Conclusies:

• Goede gezondheid van ouderen wordt steeds belangrijker, vanwege het beleid dat gericht is op lang(er) zelfstandig wonen.
• Gezondheidsgevoel neemt af met het stijgen van de leeftijd en blijkt omgekeerd evenredig te zijn aan het opleidingsniveau, de hoogte van het inkomen en het hebben van financiële problemen. Op alle terreinen is gericht beleid nodig.
• Ongeveer één op de vijf ouderen – vooral laagopgeleiden – ervaart onvoldoende regie op het eigen leven. Dit percentage lijkt op grond van ervaring, te laag. Waarschijnlijk begrijpen veel ouderen de vragenlijst niet vanwege moeilijk taalgebruik. Aangedrongen wordt – zo mogelijk – op aanpassing, ook al gaat het om gevalideerde vraagstelling en het jarenlange landelijk gebruik.
• Nader onderzoek is nodig om te weten waarom mensen achter hun voordeur blijven en niet om hulp vragen. Dan kan meer gericht eenzaamheid worden aangepakt.
• Door het verdwijnen van verzorgingshuizen zullen meer (zelfstandig wonende) ouderen een beroep (moeten) doen op mantelzorg. Niet iedereen kan dat, mede door verandering van financiële vergoedingen.
• Meer bekendheid geven aan ‘respijtzorg’ en andere vormen van verlichting van mantelzorgers om overbelasting en oververmoeidheid tegen te gaan.