Gezellig, goed en goedkoop eten in jouw buurt?

Er zijn verschillende plekken waar je goedkoop en goed kunt eten. En waar je anderen/buurtgenoten makkelijk kunt ontmoeten. De Adviescommissie voor het Ouderenbeleid (ACO) kregen veel signalen dat deze niet-commerciële eetgelegenheden vaak niet bekend zijn bij ouderen. Daarom zijn al deze gelegenheden in de stad Utrecht geïnventariseerd. Per buurt zijn er flyers gemaakt, zodat iedereen – of je nu alleen gaand bent of niet- deze eetgelegenheden kan vinden. Plaatsen waar je buurtgenoten kunt ontmoeten en gezellig samen kunt eten!

“Het is toch te gek dat ouderen zoals ik niet weten waar je goed en goedkoop kunt eten! Waar je buurtgenoten kunt ontmoeten en samen gezellig kan gaan eten!” Die vragen stelde mevrouw Nel Scholten aan de Adviescommissie voor het Ouderenbeleid (ACO). Een van de vele signalen die de ACO de afgelopen tijd binnen kreeg. Diverse eettafels of andere gezamenlijke eetplekken bleken te zijn opgeheven of veranderd. De plekken die er wel zijn, blijken lang niet altijd bekend te zijn bij ouderen. Terwijl hieraan wel behoefte is.

Daarom heeft de ACO een inventarisatie gemaakt van alle niet-commerciële eetgelegenheden in de stad Utrecht. Daarvan zijn per buurt flyers gemaakt, met informatie over plaats, tijden, prijzen, telnummers etc. etc. U vindt de flyers op de website van ACO

Deze flyers zijn te vinden bij de buurtteams, wijkbureaus, huisartsen, huiskamers, kerken etc.. Op plekken waar veel ouderen komen. Daarnaast is alle informatie te vinden op de Flyers zijn te krijgen via info@aco.nl of tel: 06-30329231. Klopt er iets niet? Dan graag doorgeven aan U-centraal ugids@u-centraal.nl

——————————————————————————————————————–

Gezamelijke reactie op nota uitgangspunten sociaal makelaar

logo cosbo 39705 solgu logo keuzeLogo ACO 211 x 110

Algemeen
Enkele jaren geleden zijn er grote wijzigingen ingevoerd op het werkterrein van de vroegere welzijnswerkers in de buurtcentra. Per wijk zijn er vervolgens enkele nieuwe organisaties ingezet die de functie van ‘sociaal makelaars’ invulden op grond van het “Vernieuwend Welzijn”-beleid. Deze organisaties worden bekostigd uit het Wmo-budget van de gemeente.
Uit tussentijds onderzoek (onder professionals en bewoners) bleek dat er veel mooie dingen ontstaan zijn, maar dat er ook verwarring was over taken/rollen en samenwerking. Sociaal makelaars waren niet zichtbaar genoeg en de organisatie rondom buurthuizen verliep niet overal vlekkeloos. Er zou meer ruimte moeten komen om het werk in te vullen per buurt, afhankelijk van de situatie ter plekke. En ook nu nog zijn er knelpunten: verschillen in aanpak van de organisaties, rolonduidelijkheden en de soms moeizame samenwerking met andere partijen.
COSBO heeft zich destijds kritisch uitgelaten over het zogeheten “Vernieuwend Welzijn” en de daarmee gepaard gaande organisatorische gevolgen. We zagen voor ouderen veel verloren gaan: vaste ontmoetingsplekken en dagopvang, minder inzet van professionals in het welzijnswerk, verlies van bekende gezichten in de buurt (ook vrijwilligers haakten af). En vooral: werd er niet teveel gerekend op de zelfredzaamheid en eigen kracht, op vrijwilligerswerk en informele zorg? Verder waren wij bezorgd over de mate van cultuursensitiviteit van de sociaal makelorganisaties in de wijken waar veel migranten wonen. Het is nog te vroeg om te zeggen of het “Vernieuwend Welzijn” nu als geslaagd of als mislukt beschouwd moet worden, maar onze zorgen over het adequaat bereiken en passend ondersteunen van bepaalde groepen inwoners zijn niet echt verdwenen.
Onze contacten met sociaal makelaars bevestigden dat er zijn zeker ouderen buiten beeld geraakt zijn in de periode van grote en snelle veranderingen. En ook bleek het best moeilijk om ouderen en migranten te bereiken. Maar per wijk en per sociaal makelaar verschillen de resultaten. Niettemin is het goed dat de sociale wijkanalyse de brede basis/het vertrekpunt vormt voor het werk van de sociaal makelaars en de samenwerking met andere organisaties. De sociale wijkanalyse geeft immers inzicht in de sterke en zwakke kanten van elke wijk.
Om vanuit deze analyse te kunnen werken, moeten de doelen en taken van de sociaal makelaars voor iedereen duidelijk zijn. Wat kan een wijkbewoner van een sociaal makelaar verwachten? Gesproken wordt van ‘ondersteunen’, ‘bijdragen leveren’, ‘faciliteren’, ‘versterken’ etc. Dit klinkt wat passief, de bewoners doen zelf het werk. Meer outreachend werken van de sociaal makelaars, de bewoners achter de deuren leren kennen, wordt gemist. Een nog actievere benadering van de sociaal makelaars kan nodig zijn, zeker wanneer een wijk meer dan gemiddeld te maken heeft met lastige problemen, zoals eenzaamheid.

Uitgangspuntennota
Over de Uitgangspuntennota voor de aanbesteding 2019-2024 zijn we in algemene zin positief. We stellen vast dat de gemeente veel tijd en energie heeft gestoken in het monitoren van de organisaties om beleid in relatie tot de praktijk te kunnen toetsen. Veel van wat daarmee is opgehaald bij professionals en bewoners is meegenomen in de nieuwe plannen.

Wij zijn vooral positief over:
- Langere looptijd van de nieuwe opdracht (6 jaar) aan slechts één partij, gelijk oplopend met de aanbesteding voor buurtteams.
- Erkenning noodzaak tot betere samenwerking met buurtteams en zorgverleners in de wijk (4-hoek), b.v. het afleggen van huisbezoeken aan ouderen i.s.m. huisartsen.
- De ruimte om minder krachtige wijken meer te ondersteunen dan de sterkere wijken, tevens rekening houdend met groeiende wijken als Leidsche Rijn.
- Streven naar behoud van bestaande gezichten / continuïteit in de wijken.
- Oog voor inclusief en cultuursensitief werken.

Maar er zijn ook vragen en opmerkingen:
1. Wat zijn t.z.t. de werkelijke personele consequenties als er een nieuwe aanbieder komt of samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Wanneer een andere organisatie de opdracht krijgt  of in een wijk actief wordt, zouden de medewerkers in principe ‘overgenomen’ moeten worden.
2. Bij de ‘leidende principes’ staat als laatste genoemd: lerende professionals. Neem als uitgangspunt dat zij ‘het klappen van de zweep kennen’, dus genoeg ervaring hebben en deskundigheid  bezitten.
3. Het is voor ons niet goed duidelijk hoe e.e.a. budgettair precies zit en wat dit daadwerkelijk zal betekenen voor het werk van de sociaal makelaars.
4. Is ook in de ‘sterkere’ wijken met meer bewonersinitiatieven genoeg basis om voor langere termijn verzekerd te zijn van bv vrijwilligersinzet of informele zorg? Wellicht een onderzoek waard.
5. Het is onduidelijk wanneer men wel of niet ondersteuning van een sociaal makelaar mag verwachten. Onbekend is dan ook hoeveel bewoners in de afgelopen jaren geen gehoor hebben gevonden  voor hun ideeën en initiatieven in de buurt. Er is het nodige bekend over wel gerealiseerde initiatieven, maar het kan goed zijn om ook bij te houden wat geen steun of financiering heeft gekregen  (en waarom) of welke projecten na verloop van tijd op niets zijn uitgelopen.
6. Ten aanzien van ‘inclusiviteit’ en ‘verbinding’: mensen met een lichamelijke beperking worden hierbij niet expliciet genoemd, wel andere ‘kwetsbare’ groepen die in het vizier zijn. Ervoor zorgen  dat niemand zich buitengesloten voelt, betekent op de eerste plaats dat bijvoorbeeld de Huiskamers en buurtcentra goed toegankelijk moeten zijn. En benoem bijvoorbeeld in de wijkanalyses  expliciet de groepen die specifieke/extra aandacht en inzet vergen, zoals vluchtelingen, of ouderen die weinig buiten de deur komen.
7. Voorkom bij nauwere samenwerking tussen organisaties in de wijken en buurten dat men onderling gaat concurreren: maak expliciete afspraken over taken en rollen.
8. Overwogen wordt om sociaal makelaars een informatievoorzieningstaak te geven. Al tijden pleit de ACO voor een informatiepunt, fysiek in iedere wijk. Het is niet duidelijk waarom die taak juist bij  de sociaal makelaars terecht zou moeten komen. Dit vraagt nadere uitwerking, waar wij graag over meedenken.

——————————————————————————————————————–

 

 

 

Inbreng vanuit de Adviescommissie voor het Ouderenbeleid voor het verkiezingsprogramma 2018

Leidraad voor ACO inbreng voor Verkiezingsprogramma’s
“Utrecht, inspirerende stad voor jong en oud!” (juli 2017)
Utrecht is een aantrekkelijke stad met een grote diversiteit aan inwoners, voorzieningen en mogelijkheden. Een stad waar jongeren, starters, gezinnen met kinderen én ouderen willen wonen. Een stad die – omgekeerd – ook bewoners met diverse achtergronden en van alle leeftijden ook nodig heeft om aantrekkelijk te blijven.
Ouderen dragen bij aan de stad met veel vrijwilligerswerk, mantelzorg, als drijvende krachten bij bijvoorbeeld sportverenigingen etc.. Sommige culturele activiteiten ‘draaien’ zelfs op ouderen. Zij hebben vaak met meer tijd en geld.
Bovendien hebben ouderen levenservaring die van belang is voor anderen, voor jongeren. Daarom is het belangrijk om ouderen voor én in de stad te houden! Jonge en oudere ouderen, actieve en meer afhankelijke ouderen, met een dikke en smalle beurs, met een Nederlandse afkomst of van elders.

‘De oudere bestaat niet’. Wie zijn eigenlijk ‘de ouderen’? Wat willen zij?
De oude slogan: ‘Je bent zo oud als jij je voelt’ geeft goed weer dat ‘de oudere’ niet bestaat. Het is merkwaardig dat bij velen er onbewust nog steeds het beeld leeft van ziek, zwak en misselijk, van mensen die geholpen moeten worden, van mensen die rust. willen en eigenlijk niet in de binnenstad willen/kunnen wonen. Terwijl iedereen vanuit zijn/haar omgeving weet dat ouderen niet de ouderen van vroeger zijn die vanaf hun pensioen uitkeken naar een verzorgingshuis. Dat is verleden tijd. De huidige 60 jarigen zijn de 40-ers van vroeger en de huidige 70-jarigen de 50-ers van vroeger etc. En toch blijven deze stereotype beelden over hulpbehoevende ouderen hardnekkig bestaan.
Zelfregie en zelfredzaamheid is bij veel ouderen aanwezig. Juist de overheid moet dit stimuleren door randvoorwaarden te creëren waardoor ouderen de zelfregie ook kunnen pakken. Geen afwachtende overheid, maar een inspirerende overheid!

Wel zijn er verschillen per wijk/buurt, grote verschillen zelfs. Dat hangt samen met opleiding, verschil in inkomen, kansen in de samenleving etc. Deze tweedeling moet worden tegengegaan. Geen standaardoplossingen dus, maar meer maatwerk en inspelen op de wensen, behoefte en ook de kracht van ouderen zelf. Ook meer wijk/buurt gericht.
De diversiteit onder ouderen is groter dan in welke leeftijdsgroep dan ook.
Maatwerk is daarom nodig, daarbij uitgaande van de behoefte, wensen en kracht van ouderen zelf!

Utrechtse samenleving transformeert
Utrecht groeit sterk de komende decennia. Het aantal mensen boven de 60 verdubbelt
(ca. 70.000 in 2040). Deze groep groeit harder in Utrecht dan welke andere leeftijdsgroep. Landelijk stijgt het aantal tot 25%. Het aantal ouderen (60+) in Utrecht groeit tot ruim 20%.
Zo’n aantal verandert de samenleving drastisch. Ook de Utrechtse samenleving.
Zeker omdat ouderen langer actief zijn, zo lang mogelijk zelfstandig thuis moeten en willen blijven wonen. Ook het landelijk en Utrechts beleid is hierop gericht. Intramurale zorg is nog slechts beschikbaar voor mensen met een zware zorgvraag.

Deze fundamentele wijziging betekent niet alleen een verandering van wonen en zorg. Het zelfstandig thuis blijven wonen tot opname in een verpleeghuis onontkoombaar is, verandert in wezen de hele samenleving, op alle aspecten, op alle terreinen. Gesproken kan worden van een transformatie.
Ouderen nemen meer de eigen regie in handen en nemen (actief) deel aan de samenleving. Maar hoe krachtig mensen ook zijn, in de loop van de jaren vermindert deze kracht. Afhankelijkheid neemt toe, mobiliteit neemt af, na ziekte of ongeval is het herstel langzaam en minder goed etc.. Wanneer en de wijze waarop deze ‘overgangsperiode’ verloopt, verschilt per persoon. bij de een sneller, dan bij de ander. Opleidingsniveau, woonomgeving en sociale contacten spelen hierbij een belangrijke rol.

Met name op deze fase moeten ouderen zelf, maar ook de samenleving, maatschappelijke organisaties én de lokale overheid inspelen, nog meer dan in de afgelopen 4 jaar! Daarbij is ons adagium:
Behoud ouderen voor én in de Utrechtse samenleving, zorg voor geschikte woningen.

Kort gezegd:
De groep ouderen (60+) in Utrecht verdubbeld de komende decennia (ca. 70.000 in 2040. Zij blijven zelfstandig wonen en leven, dragen op allerlei wijzen bij aan de kwaliteit van de stad. Een meerwaarde waardoor de kwaliteit van de stad wordt verhoogd. Geef extra aandacht aan deze groep in alle facetten van beleid zodat zij Utrecht versterken!

Centraal staat de vraag:
- Wat moet er op lokaal niveau de komende jaren gebeuren om de toenemende groep
senioren voor de stad te behouden?
Of anders gezegd:
- Aan welke voorwaarden moeten de stad, de wijken voldoen om ouderen werkelijk
zelfstandig te laten wonen en actief te laten mee doen aan de samenleving?

1. Integrale benadering, ook politiek!
Wonen is – zeker naar mate men ouder wordt- meer dan een woning. Als je jong bent en studeert, maken de woning en de situering niet veel uit. Werk staat immers centraal en als er kinderen zijn, de nabijheid van school etc.. Naar mate men ouder wordt – en zeker als het ‘werkzame leven’ is beëindigd – komt de woning en de woonomgeving steeds meer op nummer een te staan. Sterker nog, ouderen zijn veel meer dan jongeren/werkenden afhankelijk van de kwaliteit van de woning en de directe woonomgeving, van de buurt voor sociale contacten, van welzijns-en zorgvoorzieningen, winkels in de nabijheid én zeker van toegankelijk, maar ook bereikbaar openbaar vervoer. Daarbij moet worden beseft dat de actieradius voor veel ouderen in de loop van de jaren in het algemeen steeds kleiner wordt. Houdt daarom rekening met ‘rollator afstand’=350 meter.
In toenemende mate wordt bij ouder het merendeel van de dag doorgebracht in en om de woning. De kwaliteit en de bereikbaarheid van de hiervoor genoemde voorzieningen bepalen steeds meer de kwaliteit van leven.
Dit vergt een samenhangende benadering, een samenhangend beleid van de gemeente op wijk/buurtniveau. Een benadering waarbij het wonen centraal staat en vandaaruit een veilige en levensloopbestendige woonomgeving, voldoende en goed bereikbare en beschikbare voorzieningen en ontmoetingsruimten, die de sociale contacten bevorderen.
Daarom pleit de ACO voor:
Een samenhangende aanpak, ambtelijk én politiek: een coördinerende wethouder.

2. Toegankelijke informatie
De afgelopen jaren is digitale informatie hard toegenomen, ook bij de gemeente. Op zich begrijpelijk en gemakkelijk. Toch is alom bekend dat een groep inwoners dit niet kan bijbenen (ca. 30%) door geen of beperkte taal- en computervaardigheden.
Hoe groot de groep precies is, weet niemand, maar dat ouderen een niet gering deel hiervan uitmaken, dat staat vast.
Aan de andere kant is er een groot aanbod van activiteiten voor ouderen om dit gat op te vullen. De bekendheid van deze en andere goede initiatieven schiet echter te kort. Dat vermindert de participatie en versterkt o.a. de eenzaamheid. Ook kan gebrek aan informatie leiden tot verslechtering van de inkomenssituatie omdat men regelingen misloopt die juist voor hen zijn bedoeld.
Daarom pleit de ACO voor:
- het creëren door de gemeente van een informatiepunt per wijk, zowel fysiek, als telefonisch bereikbaar, waar ouderen (maar ook anderen) terecht kunnen met vragen (in welke taal dan ook) over activiteiten en gemeentelijke regelingen (armoederegelingen), computerhulp, goedkope eetgelegenheden, wandelgroepen, voorzieningen enzovoort, enzovoort. Een soort wijk-VVV.

3. Voor zelfstandig wonen is meer nodig dan een dak boven je hoofd
Een woning is voor veel ouderen – en ook voor mensen met een beperking -   een plek/een thuis waar mensen zich veilig en krachtig voelen. Ouderen en vooral zorgbehoevende ouderen verblijven steeds meer tijd in hun woning en in hun directe leefomgeving. Hun wereld wordt ‘sluipenderwijs’ steeds kleiner. De afhankelijkheid van de kwaliteit van de woning en de leefomgeving neemt daarom toe.

Essentieel is natuurlijk een goed toegankelijkheid van de woning en voldoende ruimte in de woning om adequate zorg te krijgen (levensloopgeschikt). Maar ook een inspirerende woonomgeving, ontmoetingsmogelijkheden, voorzieningen incl. vervoersmogelijkheden zijn onontbeerlijk voor ouderen om ‘automatisch’ te blijven participeren in de buurt/wijk en stad Utrecht. Om sociale contacten te behouden en nieuwe te krijgen. Randvoorwaarden die ‘als vanzelf’ uitnodigen tot zelfstandigheid, het houden van de eigen regie en participatie versterken.
Bij elke bouwontwikkeling moet daarom bij een Stedelijk Programma van Eisen (St.PvE), ook een Maatschappelijk PvE komen.

Woonservice zones of ‘Welkome wijken’ per wijk moeten weer nieuw leven worden ingeblazen. Vanaf 2019 moet vanwege de inwerkingtreding van de Woonomgevingswet bovendien voor iedere wijk een woonomgevingsvisie worden ontwikkeld samen met bewoners. Combineer deze zaken in een visie waarin tegelijk de woningbehoefte van ouderen goed en concreet in beeld worden gebracht en vraag en aanbod op elkaar kan worden afgestemd.

Daarom pleit de ACO voor:
- Het opnemen van een Maatschappelijk PvE bij een Stedelijk PvE bij het ontwikkelen van bouwlocaties op geschikte locaties.
- Breidt de binnenkort verplichte ‘Woonvisie’ uit naar een woon-voorzieningen-omgevingswijzers (WVO-wijzers) voor iedere wijk, met aandacht voor verschillen in achtergrond/cultuur van ouderen.

Concrete voorstellen
Het ACO-pleidooi om integraal afwegingen te maken en beleid te ontwikkelen zal niet op korte termijn zijn effect hebben.
Daarom vragen wij ook aandacht voor diverse  concrete onderwerpen om problemen te voorkomen die de komende jaren aandacht vragen.

Wonen: Voer motie 2015/39 echt uit!
-  Geef locaties in het Meerjaren Perspectief Stedelijke Ontwikkeling (MPSO) aan die geschikt  voor huisvesting voor ouderen, met zorgmogelijkheid. (KANSENKAART SENIOREN)
- Werk plannen voor deze locaties uit met bewoners/initiatiefgroepen etc.
- Stimuleer wooninitiatieven van bewoners (voer motie 2015/39 uit).
- Verplicht een Maatschappelijk PvE bij het StPvE’s voor deze locaties en stel deze op met betrokkenen/betrokkenorganisaties (ouderen, ACO, COSBO, Solgu (MNU ) e.d).
- Verplicht woningcorporaties en andere bouwers tot toegankelijk (ver)bouwen zowel in
als naar de woning en woonomgeving.(recente nieuwbouw is nog steeds niet voor iedereen  toegankelijk). Voer motie 39 uit!
- Verduidelijk daarvoor de definities van rollator en rolstoeltoegankelijkheid en levensloopbestendigheid/-geschiktheid) samen met betrokken organisaties en woningcorporaties.  (eenduidigheid van begrippen is nodig!)
- Stel een toegankelijkheidspanel of zo in die alle plannen én de uitvoering op
toegankelijkheid beoordeelt en bewaakt
- Stimuleer (ook jongere) ouderen na te denken over hun woontoekomst/-carrière).Breid
daarvoor keukentafelgesprekken over Hulp bij het Huishouden uit met  component wonen.
- Bouw woningen flexibel zodat deze geschikt (te maken) zijn ook voor andere bewoners.
- Kom met een Verhuisadviseur voor alle senioren (huur en koopsector).
- Onderzoek de noodzaak en mogelijkheid van de ‘Blijvers-lening’ voor ouderen die hun woning willen aanpassen.
- Onderzoek versimpeling/verduidelijking/versnelling van aanvraagprocedures voor woningaanpassingen binnen en buiten de WMO.

Woonomgeving/participatie
- Organiseer ‘buurtschouwen’ om obstakels voor mensen die slecht ter been zijn uit de weg te ruimen of te voorkomen en kom met/behoud een budget hiervoor per wijk.
- Creëer leestafels ter versterking van de saamhorigheid
- Plaats bankjes om bij een wandeling even te kunnen uitrusten (plan deze samen met bewoners; zij weten waar deze nodig zijn; te koppelen aan de ‘ buurtschouw’).
- Maak buitenontmoetingsplaatsen: jeu de boules-banen, permanente speeltafel (dammen, schaken, mens erger je niet of ganzenbord), buitentoestellen voor simpele oefeningen
- Verbeter de straatverlichting (om veilig over straat te kunnen)

Zorg/welzijn/participatie
- Voorkom wisselingen door periodieke aanbestedingen; kennen en gekend worden is van belang voor alle wijk/buurtbewoners, vooral ouderen.
- Kom met andere vormen van ondersteuning van mantelzorgers (vanuit behoefte).
- Blijf aandringen op versterking van de bekendheid van Buurtteams.
- Creëer informatiepunt (VVV) bij plekken waar veel ouderen komen.
- Houdt de stedelijke specialistische ketenzorg, ook voor dementie in stand.
- Zorg voor meer bekendheid over (beginnende) dementie en opvang van mensen met dementie en hun partners/verzorgers; stimuleer/experimenteer met een dementievriendelijke wijk

Openbaar en aanvullend vervoer/participatie
- Voer 350 m grens (rollator afstand) in voor openbaar vervoer (en ander voorzieningen).
- Onderzoek de mogelijkheid van ‘sprinterbussen’ naast de snelle bussen (zoals bij de NS) of anders aanvullend maatwerkvervoer voor de wijk/buurt zoals buurtmobiel in Overvecht en ook zijn er  goede voorbeelden in andere gemeenten. (Het OV bedrijf financiert in diverse gemeenten aanvullend vervoer).

——————————————————————————————————————–

ACO zoekt deskundige die actief willen meedenken en -doen over openbaar en aanvullend vervoer!

bus-1300140_960_720Logo ACO 211 x 110

OPROEP OPROEP OPROEP OPROEP OPROEP OPROEP
Wie wil actief meedenken en -doen over openbaar en aanvullend vervoer?

Goed bereikbaar, toegankelijk en betaalbaar (openbaar) vervoer is zeker voor ouderen van levensbelang! Immers naar mate je ouder wordt, ben je meer afhankelijk van vervoer door anderen. Hoe kan je anders komen op de plek van je bestemming? Vrienden en familie bezoeken? Een gezellig restaurant bereiken of genieten van een mooie culturele voorstelling? Medische en andere zorg krijgen?

Het huidige openbaar vervoer schiet hierin vaak te kort. Ook verandert er na 2020 het nodige met de Regiotaxi. Daarom wil de ACO nadenken over verbetering en andere vormen van vervoer in Utrecht voor senioren. Het ontwikkelen van nieuwe vormen van passend (aanvullend) vervoer is een uitdaging!

Waar mogelijk zal de projectgroep samenwerken met andere organisaties/personen.

Wil je meedenken?
Stuur je interesse naar info@aco-utrecht.nl

 

 

Verslag themabijeenkomst ACO “Wooninitiatieven succesvol?” 21 juni 2017

Aanleiding
Het overheidsbeleid is gericht op het zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen door ouderen. Ook is dat de wens van ouderen zelf. De vraag is: waar en hoe?
Er bestaan ook in Utrecht enkele groepen die te kennen hebben gegeven met elkaar te willen wonen en een plan hebben ontwikkeld. Het realiseren van deze plannen is niet gemakkelijk.
De MarktMeesters in Voordorp (CPO) is er wel in geslaagd een woningcomplex te realiseren. Inmiddels is het gebouwd en zijn de woningen bewoond. Een goed voorbeeld van een succesvol initiatief. Daarvan kunnen anderen leren. Wat waren/zijn de succesfactoren?
Maar ook: Wat is de rol van de gemeente? Stimulerend? Ondersteunend? Actief grondbeleid?

Gastsprekers:

• de heer Max van der Mark, bestuurslid en bewoner van wooncomplex MarktMeesters in de wijk Veemarkt
• mevrouw Coleta Coppes, bewoner van wooncomplex MarktMeesters in de wijk Veemarkt
• mevrouw Marianne Coopmans, Beleidsmedewerker Ouderenhuisvesting (gemeente Utrecht)

Inleiding

Start
Dit voorjaar trokken de eerste bewoners in het koopappartementencomplex in de wijk Veemarkt – vandaar de naam. De bewoners waren zelf opdrachtgever en voerden zelf de regie. via het zogenoemde Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). Het proces is in 2005 gestart door de architect en heeft redelijk lang geduurd, met name de ontwikkelfase vanwege de economische crises. De bouw van de tien appartementen startte in 2016 en het gebouw werd in maart 2017 opgeleverd.
Gelukkig was er een uitstekend bewonersbestuur  waarin bestuurskundige, financiële en technische kennis aanwezig was. Zij hielden de vinger gedurende het hele proces stevig aan de pols. Max van der Mark noemt dit een echte succesfactor en een waardevolle aanbeveling voor soortgelijke projecten: handel als betalend opdrachtgever, zoek deskundigheid in de groep zelf en probeer het bouwproces in hoofdlijnen te begrijpen. Stel vooral daarnaast een technisch bouwbegeleider aan die in het belang van de opdrachtgever (CPO) onderhandelt met de gemeente en de bouwer. De gemeente is een lastige partij.

Gemeenschappelijke ruimten
Er maken enkele gemeenschappelijke ruimten (ca.100 m2) deel uit van het gebouw: parkeerruimte, fietsenbergplaats, gemeenschappelijke (eet)ruimte, fitness- en hobbyruimte en één logeerruimte (met sanitair)..Bij elkaar vormen zij als het ware het elfde appartement. De bewoners zijn daarvan gemeenschappelijk eigenaar, evenals van de twee gemeenschappelijke tuinen. Voor de inrichting van deze ruimten werden diverse werkgroepen gevormd.

De bewoners hebben afgesproken om eerst eens een jaar ervaring in hun nieuwe woonsituatie op te doen en niet direct allerlei strenge huisregels op te stellen. Men onderhoudt contact via een WhatsAppgroep; daarin gaat het voornamelijk over technische en huishoudelijke zaken. Over eventuele zorgvoorzieningen is nog niet gesproken. Ook niet over het handelen als bewoners vertrekken.

Maandelijkse woonkosten
De heer Van der Mark erkent dat MarktMeesters tot het duurdere segment op de woningmarkt hoort. De bewoners dragen maandelijks € 250 bij aan de Vereniging van Eigenaren – dat is inclusief reserveringen. Dit is afgezien van de financiering, die immers afhangt van de persoonlijke situatie. Aangezien de meeste bewoners uit grote (koop-)woningen elders in de stad komen, zijn zij uiteindelijk iets goedkoper uit dan voorheen.

Rol gemeente Utrecht
Marianne Coopmans (gemeente Utrecht, Beleidsmedewerker Ouderenhuisvesting) vertelt dat er in de jaren 1990 heel veel mogelijk was bij de gemeente op het gebied van wooninitiatieven, onder andere in Leidsche Rijn. Goede voorbeelden van geslaagde initiatieven zijn De Kersentuin in Leidsche Rijn (combinatie van huur en koop – een paradepaardje!) en Het Groene Dak in Voordorp.

Het aandeel van woningen, gebouwd onder CPO, is in Utrecht beperkt, namelijk ongeveer 5%. Van ongeveer het jaar 2006 tot 2013 lag de woningmarkt goeddeels stil vanwege de economische crisis. Vervolgens trok de vraag aan, maar veel ruimte om te bouwen heeft Utrecht niet meer – ook niet voor groepsinitiatieven. De gemeente kan hier dus niet zoveel uitrichten. Haar advies aan initiatiefgroepen is dan ook om een projectontwikkelaar in te schakelen, of om bij de woningcorporaties eens te informeren naar zogenoemde ‘kluswoningen’. De Provincie Utrecht heeft een ondersteuningsprogramma voor startende groepen. De gemeente geeft geen financiele ondersteuning, maar heeft wel een uitgebreide handleiding dat op de website is te vinden (www.utrecht.nl/wonen-en-leven/zelfbouw).

Reacties en discussie

Grondbeleid
Desgevraagd legt Max van der Mark uit dat men bij De MarktMeesters heeft gewerkt met zelf ingehuurde deskundigen, met garantie van WoningBorg. De bewoners wilden de regie nadrukkelijk niet uit handen geven aan een projectontwikkelaar. Het grootste probleem was het vinden van belangstellenden tijdesn de crisis in de bouw.

Er wordt opgemerkt dat de gemeente toch actief grondbeleid zou moeten voeren; sociale huurwoningen hebben immers prioriteit. (Sociale) Huurprojecten hebben in deze tijd geen kans van slagen, koopprojecten zoals De MarktMeesters wel. Marianne Coopmans beaamt dat actief gemeentelijk grondbeleid de mogelijkheden voor huurders zou verruimen, maar daar is in deze raadsperiode niet voor gekozen.

Creatievere realisatiemogelijkheden
Er staan diverse wooninitiatieven op de wachtlijst, vertelt Marianne Coopmans; de gemeente spreekt hen regelmatig, maar daar blijft het bij gezien de beperkte grond en het grondbeleid..
Een ander goed voorbeeld is de bebouwing op de NPD strook. De inbreng van het Maatschappelijk Netwerk Utrecht (waaronder ook de ACO) is volledig meegenomen in het Stedelijk Programma van Eisen en vervolgens in de opdracht aan de projectontwikkelaars. Maatschappelijk functies en ouderenhuisvesting zijn daardoor in de planontwikkeling meegenomen en de gemeente heeft genoegen genomen met een lagere grondprijs. Overigens blijkt de grond meer op te brengen dan verwacht. Dit model zou ook elders in de stad kunnen worden toegepast, want alle betrokken partijen zijn er enthousiast over. Een goed voorbeeld van facilitering door de overheid, wordt gezegd.

Ook projecten in zelfbeheer zou de kosten kunnen drukken.

Meer gezamenlijk optreden?
Om deze mogelijkheden en andere creatieve wegen met succes te bewandelen, moet hierop meer gezamenlijk worden ingezet, Netwerk als aanjaagfront? Website voor initiatieven?

Conclusies
• Utrecht groeit de komende jaren tot 420.000 inwoners
• Door haar zeer aantrekkelijke ligging en beperkte grond stijgt de grondprijs sterk, zodat wooninitiatieven nauwelijks aan de bak komen, uitgezonderd duurdere koopwoningen
• Actief grondbeleid is nodig om andere wooninitiatieven een kans te geven
• Ook moet de lijn die is uitgezet bij de ontwikkeling van de NPD strook worden voortgezet, zodat een maatschappelijk Programma van Eisen (ouderenhuisvesting met maatschappelijke functies en  toegankelijk omgeving) standaard wordt, in ieder geval voor geschikte locaties
• Met projectontwikkelaars en woningcorporaties moet meer (en gezamenlijk) contacten worden gelegd
• Wooninitiatieven moeten de handen ineenslaan; samen zijn zij sterk!
• Zet een organisaties/netwerk op voor wooninitiatieven en ook een website. Samen zijn zij sterker!
• Ook de gemeente kan dan actiever de wooninitiatieven ondersteunen en mogelijk faciliteren.

Presentaties:

Gemeente Utrecht

MarkMeesters

Gevraagd: voorzitter voor de Adviescommissie voor het ouderenbeleid Stad Utrecht

Voorzitter voor de Adviescommissie voor het Ouderenbeleid Stad Utrecht

De nieuwe voorzitter heeft bestuurlijke ervaring en wil zich actief inzetten voor de positie van ouderen in Utrecht.

De commissie heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de beleidsontwikkeling voor ouderen en organiseert 10 maal per jaar openbare themabijeenkomsten over actuele onderwerpen op het gebied van het ouderenbeleid.

De commissie fungeert als netwerk voor ouderen en biedt de gelegenheid voor het uitwisselen van informatie over onderwerpen die het beleid voor ouderen raken en werkt nauw samen met vele partijen binnen het Maatschappelijk Netwerk Utrecht.

Meer informatie is te vinden op de websites van de Adviescommissie voor het Ouderenbeleid Stad Utrecht www.aco-utrecht.nl en van het Maatschappelijk Netwerk Utrecht www.maatschappelijknetwerkutrecht.nl

Reacties graag sturen naar ACO, t.a.v. de sollicitatiecommissie, p/a Pieterskerkhof 17, 3512 JR Utrecht of info@aco-utrecht.nl Reageren kan tot 28 juni.

Nadere inlichtingen bij Christa Tydeman, voorzitter sollicitatiecommissie , 030-2541123 of tydemanc@xs4all.nl

 

 

 

 

 

Verslag themabijeenkomst ACO “Toegankelijke zorg voor iedereen!?” 24 mei 2017

Aanleiding
Het is belangrijk om te kunnen lezen en schrijven; met name als je wordt geacht langer zelfstandig thuis te blijven wonen. Ouderen word dan steeds meer afhankelijk van schriftelijke informatie. Het is bovendien niet alleen belangrijk om te kunnen lezen, maar ook om de tekst te begrijpen. Dit geldt zeker bij medische informatie.
In Utrecht wordt ongeveer 8% van de bevolking als ‘laaggeletterd’ aangemerkt, maar volgens deskundigen is deze groep laaggeletterden veel groter.

Gasten:
mevrouw Harma Plaggemars (UMC)
mevrouw Marjolijn van Leeuwen (Pharos)
de heer Peter Budel (gemeente Utrecht, MO) en mevrouw Annet Hofmeier (gemeenten Utrecht, Volksgezondheid)

Universitair Medisch Centrum
Harma Plaggemars meldt dat het UMC een van de grootste werkgevers is in Midden-Nederland; het omvat het Academisch Medisch Centrum (UMC) en het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ). De organisatie heeft dagelijks te maken met patiënten en personeel.

Begrijpen van de tekst
Harma Plaggemars stelt de vraag: Hoeveel procent van de woorden moet je kunnen lezen om een tekst te kunnen begrijpen? Dit blijkt ca. 90%te zijn. De ongeveer 2,5 miljoen laaggeletterden onder de Nederlandse bevolking halen dat percentage niet. Van deze groep is ongeveer 2/3 deel van Nederlandse, en 1/3 deel van buitenlandse afkomst.

Gezondheidsvaardigheid
Laaggeletterdheid en beperkte gezondheidsvaardigheid houden verband, stelt mevrouw Plaggemars. Dit is zorgelijk, want mensen die beperkt gezondheidsvaardig zijn, lopen een twee maal zo groot risico op voortijdige sterfte.

In het UMC richt men zich niet alleen op de beperkte gezondheidsvaardigheid van patiënten, maar ook van medewerkers. Ca. 25% van de werkenden in de sector van zorg en/of welzijn is laaggeletterd. Te denken valt bijvoorbeeld aan de schoonmakers. In ziekenhuizen hebben zij gespecialiseerd en verantwoordelijk werk; zij moeten bijvoorbeeld gebruiksaanwijzingen kunnen lezen, begrijpen en toepassen.

Zelfredzaamheid
De overheid verwacht dat mensen, ook ouderen,  zelfredzaam zijn. Het is dus belangrijk dat iemand bijvoorbeeld de bijsluiter van een geneesmiddel kunt lezen én begrijpen, maar er zijn veel meer ontwikkelingen in de zorg die om goede leesvaardigheid vragen, bijvoorbeeld als je gebruik maakt van zorg op afstand of e-consult, of als je je medisch dossier wilt inzien via internet.

Het UMC heeft daarom het project ‘Omgaan met laaggeletterdheid’ ontwikkeld. Het deelproject ‘Taal op de werkvloer’ is op personeelsleden gericht; voor patiënten is er ‘Vertel het ons,’ met als doel laaggeletterde patiënten meer grip te geven op hun klachten of ziekte, en zodoende hun kansen op verbetering van hun gezondheid te vergroten. Onderdeel van het project is ook het vergroten van bewustwording bij artsen; zij leren bijvoorbeeld heel simpel om aan het eind van een gesprek met een patiënt niet te zeggen: ‘Heeft u hier nog vragen over?’ maar om de patiënt uit te nodigen om zijn of haar vragen te stellen: ‘Welke vraag hebt u hierover aan mij?’

Informatie over ‘Omgaan met laaggeletterdheid’ is op de website van het UMC te vinden.

Inleiding van Pharos – Expertisecentrum Gezondheidsverschillen
Taal- en digitaalvaardig
Iemand die gezondheidsvaardig is, weet wel waar hij of zij de juiste informatie kan vinden, vertelt mevrouw Van Leeuwen. De gevonden informatie wordt vervolgens begrepen en toegepast. Hierbij is niet alleen taalvaardigheid nodig, maar ook digitale vaardigheden. Ook is het kunnen onderscheiden van hoofd- en bijzaken van belang. Hoogopgeleiden zijn hierop getraind door hun opleidingsachtergrond, en realiseren zich vaak niet hoe abstract zij hebben geleerd te denken.

Ouderen vaker chronisch ziek
Ouderen krijgen vaker te maken met chronische ziekten; dit geldt in het bijzonder voor laagopgeleiden. Zij worden bovendien vaker getroffen door meerdere chronische ziekten tegelijk, en zijn vaak minder gezondheidsvaardig. Velen struikelen al bij de eerste stap: het vinden van de juiste informatie. Zij kunnen de krant bijvoorbeeld niet lezen of voorlichtende programma’s op televisie niet begrijpen. Websites kunnen zij niet opzoeken. Pharos besteedt veel aandacht aan het overbrengen van dergelijke belangrijke informatie, en werkt daarvoor samen met sleutelfiguren in wijken en met zelforganisaties, kerken, moskeeën en buurthuizen.

‘Begrijp je lichaam’
Zorgverleners gaan er meestal voetstoots van uit dat patiënten kennis hebben over het lichaam, terwijl mensen met minder opleiding dat vaak juist niet hebben. Pharos heeft daar een methode voor ontwikkeld, ‘Begrijp je lichaam.’ Met behulp daarvan kunnen zorgverleners bijvoorbeeld uitleggen waar het hart zit, en wat het doet. Een groot probleem is dat medicijnen niet goed worden ingenomen. In samenwerking met de apothekersorganisatie KNMP loopt er een project over bevordering van veilig en verantwoord medicijngebruik. Het materiaal dat Pharos maakt, wordt getest met behulp van laaggeletterde patiënten. Met hulp van Stichting ABC worden ook websites getest.

‘Handleiding voor diabetes’
Onlangs heeft Pharos een handleiding over diabetes uitgebracht, een complexe aandoening die veel bij ouderen voorkomt. De handleiding beschrijft op toegankelijke en begrijpelijke wijze waar patiënten aan moeten denken en waar zorgprofessionals rekening mee moeten houden bij de behandeling.

Op de website van Pharos is meer informatie te vinden over laaggeletterdheid en gezondheid.

Reacties en discussie

Foldermateriaal in andere talen nuttig?
Marjolijn van Leeuwen meldt desgevraagd dat zij het zinvol vindt om foldermateriaal in meerdere talen te schrijven, bijvoorbeeld voor mensen die net in Nederland zijn aangekomen en nog geen Nederlands spreken. Pharos bedient echter ook een aanzienlijke groep geboren en getogen Nederlanders die onvoldoende leesvaardig zijn. Voor hen worden er bijvoorbeeld filmpjes met eenvoudig beeldmateriaal gemaakt, te bekijken via YouTube. Deze worden wel voorzien van commentaar in andere talen. Bij het UMC maakt men ook gebruik van tolken, vult Magda Plaggemars
aan.

Zes taalniveaus
Er worden zes taalniveaus onderscheiden, namelijk (oplopend) A1, A2, B1, B2, C1 en C2. Op een niveau onder A2 zijn niet-Nederlandstaligen afhankelijk van tolken of van schriftelijke informatie in de eigen taal. Nederlandse les levert niet altijd het gewenste resultaat op; voor mensen die in hun eigen land maar een paar jaar onderwijs kregen, blijft het moeilijk om de juiste informatie in het Nederlands op te pikken.

Uitstroomniveau basisschool voldoende?
Een van de aanwezigen vraagt naar het uitstroomniveau van de basisschool. Is dat niet voldoende om goed te kunnen doorstromen? Marjolijn van Leeuwen denkt dat kinderen uit migrantengezinnen gebaat zijn bij extra taalles, maar dat gebeurt ook al, bijvoorbeeld in de voor- en vroegschoolse opvang. Na groep 8 hebben kinderen over het algemeen taalniveau A2. Dit geldt ook voor de basis- en kaderklassen in het vmbo. Zowel voor volwassenen als kinderen is het belangrijk om te streven naar een zo hoog mogelijk niveau, maar dan nog is niet gegarandeerd dat zij alles kunnen begrijpen. Zelfs voor mensen die het hoogste taalniveau beheersen, kan de uitleg van een medisch specialist nog wel eens lastig te begrijpen zijn. Zij weten de juiste informatie dan later wel te vinden, bijvoorbeeld via internet. Dat kanaal is voor minder taalvaardigen echter niet zo toegankelijk. Heldere en toegankelijke communicatie in de zorg is voor iedereen belangrijk.

Tolken
De heer Scholten merkt op dat dienstverlening van tolken in veel sectoren is wegbezuinigd. Zou de ACO de terugkeer kunnen ondersteunen met een advies?
In dit verband wijst Marjolijn Van Leeuwen op de toestroom van vluchtelingen. Zij stromen veel sneller door dan voorheen, waardoor ze vrijwel geen Nederlands spreken als zij in hun nieuwe woonplaats komen. Voor huisartsen is dat een groot knelpunt, want de hulp van een tolk wordt niet meer vergoed, terwijl dat voor doelgroepen met een taalniveau onder A2 eigenlijk wel noodzakelijk zou zijn. Een behulpzaam familielid volstaat meestal niet. Een pleidooi voor tolkenhulp voor mensen met een taalniveau onder A2 zou welkom zijn, wat Pharos betreft.

Patiëntencoaches
Harma Plaggemars vertelt dat er in het UMC gekeken wordt naar wat een patiënt nodig heeft om een zorgtraject goed te kunnen doorlopen – ongeacht of hij of zij allochtoon of autochtoon is. Het UMC heeft sinds kort patiëntencoaches; daar zijn tolken bij, maar 2/3 van de laaggeletterden is geboren en getogen Nederlands. Zij zijn met een tolk niet geholpen. Daar komt bij dat beperkte gezondheidsvaardigheid ook onder hoogopgeleiden voorkomt, denk aan mensen met een technische opleiding.

Hoe gaan de Buurtteams om met laaggeletterde cliënten?
Volgens een medewerkster van Buurtteam Oost komt beperkte digivaardigheid veel voor, naast beperkte taalvaardigheid. Mensen komen bijvoorbeeld bij het Buurtteam omdat zij niet weten hoe zij een DigiD moeten aanvragen. Een deze cliënt dit hiermee helpen via de website. De vraag is of die persoon de verkregen informatie dan begrijpt. Daarvoor moet iemand op zijn minst kunnen lezen.

Gemeentelijke informatie?
Peter Budel meldt dat de gemeente Utrecht over het algemeen communiceert op taalniveau B1. Voor velen is dat te moeilijk, maar als het niveau verder wordt verlaagd, kan de gemeente veel informatie niet meer kwijt. Informatie moet eenvoudig, begrijpelijk en toegankelijk zijn, maar ook zinvol. Hiervoor werkt de gemeente samen met organisaties zoals de Buurtteams, de sociaal makelaars, consultatiebureaus, Woningnet en zo meer. De gemeente wil de informatie zo goed mogelijk op elkaar afstemmen en de dienstverlening aan kwetsbare burgers zo overzichtelijk mogelijk presenteren. Zie bijvoorbeeld de website www.uabc.nl; daar is informatie over ingewikkelde zaken te vinden, zoals bijvoorbeeld de aanvraag van een DigiD of een paspoort. Mensen die niet over een computer beschikken, kunnen bij de balie terecht.

Eén wijkinformatiepunt
Eerder kwam binnen de ACO het oprichten van één wijkinformatiepunt ter sprake, waar face to face en telefonisch informatie te krijgen is. Een soort VVV. In Oost is hieraan behoefte en de Wijkraad Oost heeft het college geadviseerd de mogelijkheden te onderzoeken.
Hierop merkt Harma Plaggemars op dat het geven van mondelinge informatie niet altijd dé oplossing is; sommige mensen vinden het moeilijk om uitleg te vragen, of schamen zich voor hun taalprobleem. Deze werkwijze vraagt ook iets van hulpverleners en, in het geval van de gemeente, van ambtenaren. Zij moeten achterhalen waar de vraagsteller precies mee zit, en weten hoe je dat bespreekbaar maakt. In het UMC worden zorg- en hulpverleners daarin getraind.
Een goede manier is bijvoorbeeld ook om aan de patiënt te vragen of hij of zij wil vertellen wat er besproken is, om te horen of de boodschap goed is overgekomen.

Spreekuur in buurt-/huiskamers
In Overvecht, maar ook in andere wijken, zie je steeds meer Buurtkamers komen, wordt gezegd. In sommige Buurtkamers worden laagdrempelige spreekuren gehouden.

Conclusies

• Duidelijk is geworden wat laaggeletterdheid is, en met name wat er de gevolgen van zijn op het gebied van gezondheid, maar ook bijvoorbeeld op het gebied van inkomen en armoede.
• Eenvoudige oplossingen voor dit communicatieprobleem zijn er niet; er is een brede aanpak nodig.
• De ACO zal de gemeente en ander instellingen een bredere aanpak adviseren en daarbij benadrukken:
- het belang van de inzet van tolken in bepaalde situaties, huisartsen, Buurteams
- het belang van trainen van medewerkers in dienstverlenend functies om laaggeletterdheid te herkennen en hoe hiermee om te gaan zodat de informatie ook werkelijk overkomt
- het creëren van een informatiepunt per wijk waar mondeling en telefonisch begrijpelijke informatie te verkrijgen is en het trainen van de informatieverleners.

 

 

Onderzoeksplan ‘langer thuis wonen’ rekenkamer Utrecht

De rekenkamer Utrecht heeft een onderzoek gestart met betrekking tot het onderwerp ‘langer thuis wonen’. Ter voorbereiding zijn er gesprekken gevoerd met ACO, Cosbo, Solgu en Saluti. Het onderzoeksplan is vastgesteld en kunt u hieronder inzien.

Onderzoeksplan langer thuis wonen

——————————————————————————————————————–

Inbreng ACO bij RIA over uitvoeringsplan Stedelijke Agenda Ouderen (2 juni 2016)

Logo ACO 211 x 110

Inbreng Adviescommissie Ouderenbeleid (ACO) bij RIA over Uitvoeringsplan Stedelijke Agenda Ouderen d.d. 2 juni 2016.

Bijna een jaar geleden hebben de gemeente en Zilveren Kruis de Stedelijke Agenda Ouderen 2016-2018 vastgesteld.
Daarmee beoogden zij een aanzet te geven voor vernieuwing van de ondersteuning en zorg voor ouderen, voor welke opgave beide (en het zorgkantoor) staan. Het doel was is dat iedereen in Utrecht vitaal ouder kan worden, maar ook goed kan blijven wonen als je kwetsbaarder wordt.
vitaal. Voor 2018 is en zestal beoogde resultaten benoemd.

In de loop van het jaar zijn thema’s/projecten ‘naar voren gekomen’ om deze doelstelling te realiseren in 2018. Nu moet worden bepaald met welke thema’s de zestal beoogde resultaten moeten worden bereikt.

De Adviescommissie Ouderenbeleid heeft het proces meegemaakt en gevolgd en heeft hierbij de volgende opmerkingen en adviezen.

1. De genoemde thema’s zijn divers. Sommige zijn zeer urgent en zouden hoge prioriteit moeten krijgen. Andere zijn op zich positief maar zijn vaak meer voor ouderen bedacht en niet met ouderen. Dat laatste zou meer accent moet krijgen.

2. De thema’s genoemd onder 2.1 waarvoor de gemeente en Zilveren Kruis de regie hebben, zijn belangrijk. Het is de ACO niet duidelijk welke rol Zilveren Kruis bij (de uitvoering van) al deze projecten heeft. Wie is nu waarvoor verantwoordelijk? Hierbij wil de ACO nog opmerken dat de specifieke aandacht bij de thema’s voor dementie belangrijk te vinden. Sterker nog, de ACO onderstreept het standpunt van HUS om specialistische zorg, waaronder dementiezorg, uit de pilot te halen

3. Geconstateerd wordt in het Uitvoeringsplan dat de genoemde zestal beoogde resultaten eigenlijk niet ‘smart’ zijn.  De relatie tussen inzet en resultaten is immers moeilijk vast te stellen. Daarom wordt nu ingezet op monitoring. Heel pragmatisch, gebaseerd beschikbare informatie en gesprekken met partners in de stad, zo wordt gemeld.
Maar het blijft vaag. Met name wordt niet duidelijk welke indicatoren worden gehanteerd.
Daarom dringt de ACO aan op duidelijkheid over de indicatoren (kwalitatief en kwantitatief) van de monitoring.

4. Verder pleit de ACO er voor om bij de monitoring naast de zorgvraag, de woonvraag mee te nemen. Heel concreet zal geïnventariseerd moeten worden tegen welke woonproblemen men (zorgverleners) aanloopt in bestaande woningen. Op welk punten schieten bestaande woningen te kort? (bijv. Kan goede zorg wel worden verleend gelet op omvang van de douche, breedte van de deuren, drempels etc.). De relatie tussen het leveren van goede zorg en woningen wordt gemist. Vanuit de (zorg)praktijk moet hierop meer concreet zicht worden verkregen.

31 mei 2016

——————————————————————————————————————–

Zienswijze MNU Stedenbouwkundig Programma van Eisen NPD Strook Overvecht (mei 2016)

Sinds 1 januari 2016 werken negen zelfstandige organisaties samen in het Maatschappelijk Netwerk Utrecht (MNU).

Deze organisaties zijn (in alphabetische volgorde):
- Adviescommissie voor het Ouderenbeleid (ACO);
- Adviescommissie voor het lesbisch/homo/biseksueel en transgenderbeleid (LHBT);
- Cliëntenraad-Wmo;
- COSBO-stad-Utrecht (Belangenorganisatie voor ouderen);
- Jij Utrecht (belangenorganisatie jongeren);
- LFB Utrecht (Belangenvereniging voor en door mensen met een verstandelijke beperking);
- Saluti (advies orgaan interculturalisatie);
- SOLGU (Stedelijk Overleg Lichamelijk Gehandicapten Utrecht);
- Vrijwilligers Adviesraad (VAR).

Het doel van dit samenwerkingsverband is om (groepen) bewoners die niet vanuit zichzelf hun stem voldoende kunnen laten horen, via integrale adviezen, activiteiten, wijkdialogen etc. een stem te geven. De focus van deze samenwerking ligt op gezamenlijke projecten waarin de organisaties (met behoud van hun eigen identiteit) samenwerken aan actuele thema’s en vraagstukken. Hierbij kunnen ook andere relevante partners uit de stad worden betrokken.

Het Kernteam van het MNU heeft in april 2016 besloten de reeds bestaande samenwerkingsgroep ‘Hart van Overvecht’ als MNU-projectgroep ‘om te dopen’ om de zienswijze op te stellen voor de NPD-strook Overvecht. De leden van de projectgroep vertegenwoordigen de ACO, COSBO-stad, Saluti en SOLGU. Zorginstelling Careyn heeft specifiek input geleverd op het onderwerp ‘wonen met zorg’.

Het MNU heeft in vroegtijdig stadium de gemeente geïnformeerd over de kansen die de NPD-strook Overvecht biedt om motie 39 tot uitvoering te brengen. Het MNU denkt graag in een vroegtijdig stadium met de gemeente mee over de inrichting en eisen gesteld aan een locatie en gebouw om motie 39 optimaal tot uitvoering te laten komen. Het MNU ziet de NPD-strook als een ideaal pilot project om toegankelijke woningen en woon(zorg)- initiatieven in Utrecht te stimuleren en realiseren. Het traject heeft de potentie om de basis te leggen om motie 39 standaard tot uitvoering te brengen.

Doel van de zienswijze is om samen met de gemeente de handvatten en kaders te ontwikkelen om motie 39 tot uitvoering te brengen op de NPD-strook. De zienswijze bevat de visie van het MNU op toegankelijkheid en het stimuleren van woon(zorg-) initiatieven alsmede specifieke aanpassingen aan het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) van NPD-strook Overvecht om de plannen geschikt te maken voor de uitvoering van motie 39. Hieronder zijn de belangrijkste beslispunten van motie 39 uiteengezet. De volledige motie is toegevoegd als bijlage.

Lees hier de volledige zienswijze

——————————————————————————————————————-